|
Het leerproces
Hoe herken je nu een zakkenroller?
Toen ik in 1977 terecht kwam als
politieagent aan het bureau Van Leijenberghlaan van het 5e
district, wist ik amper wat een zakkenroller was en hoe die
werkzaam was. Je hoorde vaak verhalen aan van collega’s, die er
zelf ook niet al te veel kennis van hadden. Mijn jeugd speelde
zich af in Friesland en daar had je kennelijk nog geen
zakkenrollers, in ieder geval, ik had er nog nooit van gehoord.
Dus toen ik een keer op de Albert Cuypmarkt
liep te surveilleren werd ik aangesproken door vrouwen die mij
vroegen wat ze moesten doen omdat hun portemonnee gerold was.
Het enige wat ik kon doen was de vrouwen verwijzen naar een
politiebureau voor het doen van aangifte. Ik keek dan wel quasi
slim om me heen, maar ik had geen flauw benul wie hier bezig was
met rollen vlak onder mijn neus. Ik had geen idee hoe en naar
wie wij moesten zoeken. Enkele jaren later begreep ik dat vooral
uit Zuid-Amerika afkomstige zakkenrollers geen enkel probleem
hadden om te rollen in de Albert Cuypstraat terwijl zij even
daarvoor nog gepasseerd waren door in uniform geklede
collega’s. De daders bleken veelal vrouwen te zijn en die groep
was nu niet het eerste waar ik naar uitkeek.
Toen er om mij heen gerold werd zonder dat
ik daar ook maar een vinger achter kon krijgen, voelde ik mij
net een klein kind die naar een goocheltruc zat te kijken en
niet het flauwste benul had hoe dat konijn in die hoed kwam.
Mijn belangstelling voor zakkenrollers was op de Albert Cuyp
geboren. Nu moest de baby zich nog ontwikkelen tot een volwassen
tegenspeler die zoveel mogelijk trucs op het gebied van
zakkenrollerij zou kunnen ontleden.
Zo was ik ooit met een collega op de Albert
Cuypmarkt om zakkenrollers op te sporen. Mijn collega en ik
hadden er nog weinig of geen kaas van gegeten maar we probeerden
het toch.

Niet wetende wie een zakkenroller zou
kunnen zijn lette ik vaak op Nederlanders van Surinaamse
afkomst. In die tijd, ik praat over de jaren vlak na
onafhankelijkheid van Suriname in 1975, was het bij de politie
toch wel bekend dat een aantal Nederlanders van Surinaamse
afkomst behoorde tot het zakkenrollersgilde . Op een gegeven
moment viel mijn oog op een Surinamer die ontzettend veel
belangstelling toonde voor een kraam met poetsspullen . Hij deed
dit op een dusdanige manier dat het mij zelfs opviel. Ik ging er
vanuit dat hij het publiek bij dit kraam in de gaten hield. Dit
was dus niet het geval. Ik zag namelijk dat hij op een gegeven
moment naar de achterzijde van de betreffende kraam liep en daar
een doos wegpakte met daarop een aantal doeken Dit deed hij op
het moment dat de marktkoopman bezig was zijn waar te
demonstreren. De Surinamer liep quasi nonchalant met de doos
weg. Ik ging er vanuit dat er hooguit wat tubes koperpoets of
iets dergelijks in die doos zaten. We gingen tot aanhouding over
omdat je ook geen koperpoets mag stelen. De doos pakten we van
hem af en zagen tot onze verbazing geen poetsspullen maar een
geldkistje onder de doeken liggen.
Goed, het was dan wel geen zakkenrollerij
maar het begin was er.
In bovengenoemde zaak wist ik pas na de
aanhouding alle puzzelstukjes op zijn plaats te leggen. Een
aantal jaren later begon ik steeds sneller situaties te
herkennen en de gedragingen van straatcriminelen in te schatten,
waardoor ik de puzzel al klaar had voordat het misdrijf gepleegd
werd. Dit leerde ik vooral tijdens het volgen en observeren van
zakkenrollers. Op een gegeven moment kon je aan hun manier van
doen zien achter welk slachtoffer de zakkenroller aanzat en
wanneer hij zou toeslaan. Later in dit boek kom ik nog terug op
deze gedragingen en ik zal daar uitgebreider op ingaan.
In mijn tijd aan het Bureau Van
Leijenberghlaan probeerde ik met verschillende collega’s zoveel
mogelijk dienst te doen in burger. De chef van de
Uniformdienst, wilde dit tot een minimum beperken omdat hij van
mening was, en terecht, dat zakkenrollerij bestreden moest
worden door recherchepersoneel. De chef daarvan gaf
zakkenrollerij geen prioriteit en de kennis bij de
recherchedienst met betrekking tot deze criminaliteit hield op
bij het opnemen van aangifte daarvan. Als jonge diender begreep
ik daar weinig van, al begreep ik ook wel dat er vaak ernstiger
zaken waren waaraan gewerkt moest worden. Toen al vond ik het
vreemd dat er geen politieteam werd opgericht dat zich specifiek
bezighield met het opsporen en aanhouden van zakkenrollers. Eind
jaren zeventig was dat een veel voorkomend delict. Op een beetje
mooie zomerdag verwisselde op de Albert Cuypmarkt en omgeving
10 tot 20 portemonnees van ”eigenaar”. Ook op de trams was het
huilen met de pet op. Aangiftes van zakkenrollerij stroomden
binnen, vooral bij bureaus aan in de binnenstad van Amsterdam,
zoals bureau Leidseplein en Warmoesstraat. De bestrijding werd
niet projectmatig aangepakt in die jaren. Er bestond zo nu en
dan wel een zogenaamd “zomer detachement”, bestaande uit
politieagenten van verschillende bureaus, maar die hadden meer
taken dan alleen het bestrijden van straatcriminaliteit. Ook nu
in het jaar 2000 is zakkenrollerij een van de meest voorkomende
delicten.
Om meer te weten te komen over
zakkenrollers en hun manier van “werken”, kreeg ik van collega’s
te horen, dat er op het politiebureau Warmoesstraat een
rechercheur was. Toen ik daar even de gelegenheid voor had
bezocht ik hem en hij gaf mij alle informatie die ik maar
wenste. Hij nam de tijd voor mij en vertelde over allerlei
situaties die zich hadden voorgedaan bij het opsporen, volgen en
aanhouden van zakkenrollers. Ik zal nooit vergeten dat hij mij
een fotoboek toonde van Zuid-Amerikaanse zakkenrollers. Mijn
mond viel open toen ik daarin politiefoto’s aantrof van vrouwen,
van naar schatting tussen de 20 en 60 jaar oud. Toen ik hem
vroeg of die vrouwen ook jatten, moet hij wel gedacht hebben:
die heeft nog een lange weg te gaan voordat ie ‘t in de peiling
heeft.
Niettemin ik begon dit foto’s aandachtig te
bekijken. Niet om die koppen te leren kennen, want dat was
onbegonnen werk, maar om gezichtskenmerken van die zakkenrollers
op te nemen. Ze hadden veelal een zogenaamd Inca gezicht,
tenminste zo noemde ik het.
Tevens zag ik een bepaald soort hardheid en
onverschilligheid in hun gezicht, hetgeen natuurlijk vaker
voorkomt bij criminelen, maar niet vaak bij vrouwen die zich
niet bezig houden met criminaliteit. Dit “aflezen“ van gezichten
is maar moeilijk onder woorden te brengen. Je hebt er weinig
lectuur over, dus aflezen is alleen maar te leren in de
praktijk. Ik meen mij enige vaardigheid op dit gebied te hebben
verworven door veel met mensen om te gaan zonder personen of
groepen uit te sluiten om een of andere reden. Met iedereen
praten en daarbij vooral letten op de mimiek van het gezicht, is
mijn devies. Geweldig en wat dan nog, hoor ik u zeggen Wel,
toen ik mij hierin onbewust trainde, merkte ik dat ik mensen op
eenvoudige wijze kon betrappen op heel menselijke ondeugden. Een
beetje moeder kent dat wel. Je kind heeft iets uitgehaald en
liegt vervolgens de hele wereld bij elkaar om ertussenuit te
komen. De moeder herkent onmiddellijk dat kindlief de zaak
lichtelijk zit te bedonderen. Als je nu aan de moeder vraagt
waaraan ze dit kan merken, zal ze antwoorden dat ze dit kan zien
aan zijn gedragingen en gezicht. Maar wat ze nu precies ziet is
ook voor haar moeilijk te omschrijven. Wel zal ze kunnen zeggen
dat haar kind zich anders gedraagt op het moment als het over
een gebeurtenis op school vertelt.
Na een splitsing van “verdachte en niet
verdachte gezichten” observeer ik de gedragingen van die
personen.
Ik begon met surveilleren te letten op meer
dan alleen mannen met een donkere huidskleur. Al was mijn
allereerste aanhouding van een zakkenroller wel een Nederlander
van Surinaamse afkomst. Een collega en ik hadden al snel door
dat bepaalde lieden veelvuldig gebruikt maakten van drukke
trams. Toen wij vervolgens met zo’n drukke tram stopten op de
halte Damrak/Bijenkorf, zagen wij de genoemde Nederlander de
tram uitstappen . Het was een zenuwlijder van het zuiverste
water. Hij keek tot vervelens toe achter om alsof de duivel op
z’n hielen zat. Toen we daarop ook nog een vrouwenstem hoorden
van achteruit de tram –zij had kennelijk tot haar schrik bemerkt
dat zij iets kwijt was-, haastten wij ons de tram uit en wilden
wij overgaan tot aanhouding van de verdachte, ware het niet dat
hij ons al in de peiling had.
Het werd dus een ren- en vechtpartij, doch
de dader konden wij mét buit afleveren aan het bureau
Warmoesstraat. Ik zal niet snel vergeten dat de zakkenroller of
van angst, of door een knie in zijn buik, zijn broek had vol
gescheten. Een restproduct hiervan was nog achtergebleven in de
politiebus waarmee we naar het bureau werden vervoerd. De
wachtcommandant van het bureau Warmoesstraat verzocht ons
vriendelijk doch dringend of wij die rotzooi even wilden
opruimen. Dat was voor ons geen probleem: wij konden toch zeker
voor 3 maanden niet meer stuk.
Deze aanhouding had dus niets met wijsheid
te maken maar alles met geluk Al ben ik van mening dat je geluk
moet afdwingen. De wijsheid van Johan Cruyff hierbij is: ”als
je niet schiet maak je nooit een goal.” Maar bij deze aanhouding kreeg ik wel het
virus te pakken. Ik leerde zakkenrollers te herkennen aan hun
gedrag en in mindere mate door herkenning. Zakkenrollers op de tram waren mijn eerste
wanted men. Door je in de omgeving van tramhaltes op te
houden zag ik al snel dat bepaalde figuren vreemd gedrag
vertoonden.
Ik zag bijvoorbeeld dat zo iemand eerst een
tram liet passeren en dan later een tram van dezelfde lijn
instapte. Die laatste tram was altijd drukker dan de eerder
gepasseerde tram. Ik zag ook dat zo’n figuur altijd achter in
de rij ging staan om de tram in te stappen. Vaak liep hij bij
een tramdeur weg op het moment dat hij aan de beurt was om in te
stappen. Dan sloot hij weer aan in een rij bij een andere
tramdeur.
Je had er ook die voor in de rij stonden,
doch iedereen voor lieten gaan, totdat ze er een zagen die een
makkelijk te rollen tas bij zich had. Had je twee van die figuren dan
sloten ze het slachtoffer vaak in, in de smalle toegang of het
gangpad van de tram. Een van hen liep voor het slachtoffer uit
en hield dan plotseling zijn pas in waardoor slachtoffer ietwat
klem kwam te zitten en lijfelijk contact maakt met die
zakkenroller. Vervolgens probeerde de zakkenroller achter die
persoon de tas te rollen. Deze had vaak niet in de gaten dat
iemand in en aan zijn/haar tas zat, afgeleid door de botsing met
de mededader.
Ook hadden zakkenrollers vaak de gewoonte
mee in te stappen met een groep en vervolgens de tram weer uit
te gaan op dezelfde halte.
Toen ik later met Zuid Amerikaanse
zakkenrollers te doen kreeg, vond ik die doorsnee zakkenroller
op de tram maar eenvoudig op te sporen. Al is het op heterdaad
betrappen een heel ander verhaal.
U begrijpt dat het opsporen van
zakkenrollers op de tram veelal al kan geschieden door aan te
slaan op abnormale gedragingen van hen op en rond een tramhalte.
Ook zijn de meeste zakkenrollers die op de toer zijn in het
bezit van een attribuut waarmee ze de rollende of stelende hand
afdekken, opdat door omstanders niet gezien kan worden dat deze
hand in een tas of zak zit.
Die attributen kunnen zijn: uitgetrokken
jasje of trui, een plastic tasje met daarin een krant of
tijdschrift om het tasje “breed” te houden. Een paraplu. Een
krant of tijdschrift los. Een zacht lederen etui ter grootte
van een tijdschrift, een hoofddeksel. Zelfs een baby of klein
kind op de arm wordt gebruikt door zakkenrolsters om de rollende
hand uit het zicht te houden. De genoemde gedragingen en het al dan niet
het in bezit hebben van zo’n attribuut bepalen veelal of je doen
hebt met een zakkenroller
Natuurlijk is het ook zo dat, als je
bijvoorbeeld in het verleden tientallen maanmannetjes hebt
aangehouden voor zakkenrollerij, je dan bij de tramhalte weer op
zoek gaat naar maanmannetjes. En bij het aantreffen van zo’n maanmannetje,
kreeg die natuurlijk alle aandacht. Bij het opsporen van een zakkenroller houd
je dus rekening met de combinatie van uiterlijk en gedragingen
die zij over het algemeen vertonen.
Natuurlijk heb je ook zakkenrollers die
bovengenoemde gedragingen bijna niet vertonen. Deze staan heel
“natuurlijk” op de tramhalte en maken geen vreemde moves bij het
in- en uitstappen van de tram. Er waren dan veel kleinere aanwijzingen die
hen voor mij bombardeerden als zakkenroller. Die aanwijzingen konden zijn dat hij iets
te veel andere passagiers observeerde. Dat hij enkele keren keek
in de richting van een tas. Dat hij zonder noodzaak het drukste
gedeelte van de tram opzocht, terwijl in andere gedeeltes van de
tram genoeg ruimte was. Ook kon ik heel moeilijk traceerbare
zakkenrollers herkennen door een paar uur een drukke tramhalte
in observatie te nemen. Dit type zakkenroller had dikwijls de
gewoonte met een bepaalde tram op en neer te rijden en daarbij
dikwijls in en uit te stappen op dezelfde halte.
Ooit volgde ik een tijdje zo’n heel
uitgekookte zakkenroller Dit was een Joegoslaaf die altijd
alleen werkte. Hij viel totaal niet op en hij had liever dat het
slachtoffer naar hem toe kwam in plaats van het omgekeerde.
Daardoor kon hij zijn bewegingen tot een minimum beperken. Dus
je zou hem niet snel door een tram heen zien “rennen” op zoek
naar een te bestelen slachtoffer. Hij verroerde zich amper en
wachtte totdat de prooi naar hem toe kwam. Zijn manier van
rollen maakte het voor mij heel moeilijk hem op heterdaad te
betrappen. Er was maar een modus voor die ik kon bedenken en dat
was hem in het oog te houden waar hij ook heen ging. Aan zijn
gedrag kon je niet zien of hij even daarvoor een portemonnee
gerold had. Hij bleef absoluut kalm. Het enige wat mij opviel
was dat hij op een gegeven moment uit een tram stapte, terwijl
hij een halte daarvoor was ingestapt. Daarna liep hij een blokje
om door enkele straten. Na ongeveer 10 minuten zag ik hem een
kleine gooibeweging maken. Op die plaats trof ik daarna een
portemonnee aan met gegevens van de eigenaresse. Ik ging tot
aanhouding over en ik trof in de kleding van de zakkenroller een
betaalpas aan op naam gesteld van de eerder genoemde vrouw.
Als men mij wel eens vroeg waar ik al mijn
kennis over zakkenrollers vandaan haalde, antwoordde ik, dat de
zakkenrollers zelf mij die kennis verschaften, zonder dat zij
hiervan op de hoogte waren. Zo kwam het bijvoorbeeld geregeld
voor dat ik bij het volgen van een zakkenroller zag, dat deze
onderweg een persoon hartelijk al handschuddend begroette. Na
een korte observatie bleek deze man ook een zakkenroller te zijn. Bij het langdurig volgen van zakkenrollers
werd ik bekend met hun werkwijze. Tevens leerde ik mij zodanig
te gedragen dat ik bij hen niet opviel dan wel zo weinig
mogelijk opviel.
Om begrijpelijke redenen zal ik mijn
observatietechniek niet uit de doeken doen. Het enige wat ik er
over kwijt wil is dat ik nu puur op routine observeer. Ik houd
het zo simpel mogelijk. Iedere zakkenroller heeft een andere
manier van bewegen en snelheid van lopen. Zo zijn er
zakkenrollers die slecht kunnen rollen maar daarentegen
verschrikkelijk goed kunnen uitkijken op zoek naar
politieagenten. Door dit uitkijken vallen ze natuurlijk wel op.
Blijven omkijken in een winkelstraat valt nu eenmaal op en het
nut ervan is nihil. Per keer zie je hooguit twee dicht bij je
aanwezige personen of je moet wel echt lopen te zoeken. Enige
afstand houden van deze zakkenrollers is voldoende. Mensen
kijken niet vaak achterom en daarom hebben omkijkers altijd wel
wat belangstelling van mij.
Zo begreep ik ook al snel dat je niet met
een zakkenroller samen op de tramhalte moet gaan staan, op het
moment dat er verder weinig of geen publiek op die halte staat.
Wanneer een tram arriveerde, bleef ik de
zakkenrollers observeren totdat het tijd werd zelf via een
bepaalde ingang de tram in te stappen. Zou ik op een tramhalte staan en de
zakkenroller stapte niet in een tram dan was het voor hem al
snel verdacht dat ik ook niet instapte.
Nu is het wel zo dat ik mij aanpas aan de
zakkenroller die ik aan het volgen ben. Is de zakkenroller
“scherp” dan blijf ik zo veel mogelijk onzichtbaar voor hem.
Is hij daarentegen “blind” dan heb ik er
geen moeite mee om keer op keer vlak bij hem in de buurt te zijn.
Ik heb wel meegemaakt dat ik naast een zakkenroller stond in een
tram toen hij bezig was een tas te rollen. Hij herkende mij niet
terwijl ik die zakkenroller enkele maanden daarvoor nog had
aangehouden.
Sommige zakkenrollers zijn heel goed in het
onthouden van gezichten van politieagenten en anderen hebben wat
dat betreft een geheugen als een zeef.
Toen ik een groot aantal zakkenrollers
leerde kennen, en van hun manier van “werken” op de hoogte was,
wist ik op wat voor manier ik hen moest volgen en wat de
onderlinge afstand moest zijn. Zo heb je er ook die amper om zich heen
kijken op zoek naar politieagenten.
Dit type zakkenroller sprong zowat van de
ene tas naar de andere om een portemonnee te bemachtigen. Bij
observatie door politieagenten werd dit type vaak gepakt. Maar
aangezien er niet op elke tram een politieagent mee reist op
“zakkenrollersjacht” krijgen deze zakkenrollers vaak de meeste
buit. Terwijl ze daarnaast ook het meest aangehouden worden.
Nu heb je ook zakkenrollers die goed zijn
in het onthouden van gezichten en vooral die van politieagenten
met wie ze al een keer in contact zijn geweest. Dan is het bij
het volgen zaak goed uit de buurt te blijven. Nu zult u misschien denken, wat nu uit de
buurt blijven bij die gasten. Op die manier zie je toch niets
van het rollen. Dat klopt. Dikwijls heb ik amper kunnen zien wie
ze gerold hadden. Echter, ik zag vaak dat de zakkenroller zich
anders gedroeg als hij gerolde buit bij zich had. Dit was vaak
voor mij het teken zijn gedragingen goed te observeren.
Mogelijk zal hij ergens de buit bekijken of iets van de buit weg
gooien. Ik wist vaak niet of het de zakkenroller
zou lukken toe te slaan.
Als ik te dicht bij hem in de buurt was
geweest en hij mij mogelijk had gezien, was het niet slim om
kort daarna weer bij hem in de buurt te gaan staan omdat hij dan
wellicht argwaan zou hebben gekregen. Als hij mij misschien
gezien had was het vaak zo dat hij mij bekeek of ik misschien
een slachtoffer van hem kon worden. Dus hij zag mij dan niet in
eerste instantie als politieagent.
Zou de zakkenroller vervolgens uitstappen
en een andere tram nemen, dan was het voor mij wel zaak niet in
de buurt van hem te komen, omdat hij natuurlijk wel even achter
z’n oor ging krabben als hij mij nu op deze tram ook zou zien.
Een ander probleem is dat zakkenrollers
vaak opereren met “collega’s “, van wie er een vaak de taak had
te letten op politieagenten of anderen die door hadden waarmee
zij bezig waren. Omdat zakkenrollers veelal de neiging
hebben langzaam door de tram te lopen, tussen het publiek door,
op zoek naar een te rollen tas, valt het bij een eventuele
“uitkijk” snel op dat er iemand achter hen aankomt.
Nee, over het algemeen , bleef ik op een
gezonde afstand, waardoor ik tevens de mogelijkheid had de tram
onopvallend te verlaten als zij dit ook deden. Ik vond mij al
geslaagd als ik de zakkenroller kon volgen en op een bepaalde
afstand kon observeren. Deze werkwijze had tot doel hun gedragingen
te observeren en te herkennen als de zakkenroller bezig was of
een poging deed een tas te rollen. Vaak was te zien dat de
roller vlak voor het toeslaan nog even snel om zich heen keek.
Als ik bijvoorbeeld een uur achter een
zakkenroller had aangelopen en hij verschillende trams was in-
en uitgestapt, dus zich alleen maar bewoog in een tram of op een
halte, dan viel het natuurlijk wel op dat hij plotseling een
tram uitstapte en het “jachtgebied” verliet vlak nadat ik
gezien had dat hij kennelijk had toegeslagen bij een vrouw die
haar schoudertas nonchalant bij zich droeg. De zakkenroller
wilde natuurlijk ongestoord zijn buit bekijken en zocht daarvoor
een geschikt plekje. Een groot aantel zakkenrollers heb ik op
die “plekjes” aangehouden.
Dit gedrag is voor mij opvallend
zakkenrollersgedrag. Het is net als Zwarte Piet die snoep in een
groep kinderen gooit. Zonder te hebben gezien wie van de
kinderen iets te pakken heeft gekregen, kun je toch waarnemen
wie van de kinderen “buit” heeft. Die kinderen zullen veelal de drukte van de
groep verlaten en als dit gelukt is hun “buit” bekijken. Zakkenrollers hebben diezelfde neiging. Ze
stelen een portemonnee en zoeken een rustige plek om hun buit de
doorzoeken. Met anderen woorden hun gedragingen voor
het rollen zijn heel anders dan hun gedragingen erna. Als ik nu zag dat de zakkenroller zich
gedroeg alsof hij buit had, dan was het zaak hem heel goed in
het oog te houden. De zakkenroller zal immers de buit doorzoeken
en hetgeen niet van waarde is weggooien of verstoppen. De
zakkenroller, die –zoals gezegd- meestal de stilte opzoekt, zal
op een gegeven moment beginnen met de buit te doorzoeken. Voor
die tijd zal hij vaak nog wel om zich heen kijken, maar als hij
eenmaal bezig is een portemonnee te doorzoeken, is de kans het
grootst hem aan te houden. Mocht dit niet lukken, omdat er
meerdere daders zijn, en je vermoedelijk niet in staat bent al
dan niet met behulp van een collega , deze verdachten aan te
houden, dan is het zaak hen te blijven volgen en de portemonnee
in beslag te nemen nadat die bijvoorbeeld is weggegooid.
In begin jaren tachtig ontdekte ik de
Zuid-Amerikaanse zakkenrollers. Die jaren was er een plaag van
die figuren. Op een enkeling na opereerden zij in groepjes van
twee of drie man/vrouw. Twee van hen waren bezig met rollen of
stelen van tassen , terwijl de derde persoon, bijna altijd een
man, op de “uitkijk” stond. Terwijl de twee stelers de winkels
ingingen, bleef de uitkijk buiten staan wachten. In tegenstelling tot zakkenrollers op de
tram moest ik het in het begin niet hebben van gedragingen van
Zuid-Amerikaanse zakkenrollers. Ondanks dat ik niet in Amsterdam
geboren was, leerde ik –zoals gezegd- al snel allerlei rassen
herkenen door het observeren van uiterlijkheden van die rassen.
In mijn beginperiode bij de Amsterdams politie wist ik wat een
negroďde persoon was, maar dat je in die groep Creolen,
Hindoestanen, Indonesiërs en andere donker gekleurde personen
had, wist ik niet. Ik zag wel verschillen tussen die groepen
maar ik kon maar niet 1, 2 3, bepalen waar deze mensen
oorspronkelijk vandaan kwamen.
Zo kreeg ik ook snel door hoe doorsnee
Zuid-Amerikanen eruit zagen in al hun verscheidenheid. Ik kwam
er ook al snel achter dat ik niet eerst naar verdachte
gedragingen keek, maar naar het uiterlijk van mensen. Kwam ik
Zuid- Amerikanen tegen dan volgde en observeerde ik hen totdat
ik absoluut zeker wist dat zij geen zakkenrollers waren omdat
zij geen gedragingen vertoonden die dat rechtvaardigden.
Welke gedragingen vertoonden die Zuid-
Amerikaanse zakkenrollers dan? - Ze lopen vaak in groepjes van 2, 3, of
vier personen.
- Ondanks dat ze bij elkaar horen loopt er
vaak 1 een paar stappen achter de anderen aan.
- Je hoort en ziet ze amper met elkaar
praten.
- Je ziet ze nooit lachen of glimlachen.
- Vooral de vrouwen hebben “harde”
uitdrukkingen op hun gezichten. (Vermoedelijk is spanning van al
die jaren dit “werk” doen, van hun gezichten af te lezen.)
- Je ziet ze zelden of nooit roken.
- Vrijwel ieder lid van de groep heeft wel
een tas bij zich.
- De uitkijk heeft de neiging achterom te
kijken als de anderen van de groep een winkel binnengaan.
- De uitkijk is vaak in een andere trend
gekleed dan de stelers.
- Ze communiceren vaak door middel van
gebaren, gezichtsuitdrukkingen en oogopslag .
Voor een leek zijn ze absoluut niet te
traceren of te ontdekken.
Zoals ik net vertelde, hebben ze vaak -zo
niet altijd- een tas bij zich. Vaak kon ik door de inhoud al
zien of ik te maken had met zakkenrollers.
In de tas tref je vaak aan:
- plastic boodschappentassen om zo snel
mogelijk de buit in te deponeren zodat een slachtoffer van de
tasdiefstal haar/zijn tas niet kan vinden en herkennen.
- veel muntgeld afkomstig uit verschillende
landen, verspreid door de tas.
- tussen de 5 en 10 biljetten van 1 dollar.
Deze gebruiken ze om een geldtruc uit te halen. Dit gaat als
volgt: indien ze bij een wisselkantoor iemand veel dollars zien
wisselen, gooien ze op het juiste moment de 1dollar biljetten op
de vloer naast de klant die het geld wil wisselen en tikken de
klant dan vervolgens op de schouder met de vraag of dat geld van
hem is. Op het moment dat de man bukt om het geld op te rapen
grissen de zakkenrollers het geld op de wisselbalie weg en
verdwijnen als sneeuw voor de zon.
- een notieblok met daarop de datums en
tijden van markten in plaatsen rondom Amsterdam
- vaak hebben ze in de tas tevens een zeer
scherp mesje, waarmee tassen van slachtoffers kunnen worden
opengesneden.
- ook kom je dikwijls in de tas een tube
mosterd of mayonaise dan wel een flacon vloeibare huidcrčme
tegen. Een van deze stoffen spuiten ze bij een potentieel
slachtoffer op de jas. Vervolgens maken de zakkenrollers het
slachtoffer attent op de vervuiling van de jas, waarbij zij
“hulp” aanbieden om met papieren doekjes die te verwijderen.
Daarbij wordt als het even kan het slachtoffer uit de jas
geholpen, waarna een daarin aanwezige portemonnee wordt
ontvreemd.
- zakkenrollers hebben vaak een ander tempo
van lopen vergeleken met het aanwezige publiek.
- veel van hen veranderen vaak van
looprichting.
Hierboven hebt u al kennis genomen van
enkele trucs die door zakkenrollers worden gebruikt om ongezien
stelen mogelijk te maken. Natuurlijk zijn er ook veel zakkenrollers
die dit stadium van werken reeds gepasseerd zijn. Daarvoor de
volgende anekdotes.
 |