|
Koreaanse verwarring
In de zomer in 1987, hield ik mij op in de omgeving van het
Centraal Station, aan het Stationsplein te Amsterdam. Mijn
bijzondere aandacht ging altijd uit naar het monumentale pand:
het Zuid Hollands Koffiehuis. Buiten een restaurant was hier ook
een VVV kantoor gevestigd, waar toeristen die nog niets geregeld
hadden een hotelkamer konden boeken of inlichtingen konden
krijgen.
Toentertijd was de accommodatie er niet op
berekend om een grote toestroom van toeristen te verwerken. Er
konden hooguit 50 personen in de hal staan voor de vijf balies.
Men stond daar vaak als haringen in een ton, hetgeen tot gevolg
had dat een persoon van een gezelschap of van een paar in de rij
ging staan, terwijl de anderen achterbleven in de toegangshal of
buiten op straat, omgeven door bagage. Een koud kunstje voor
een stel doortrapte zakkenrollers om een Koreaanse vrouw van een
tas af te helpen, door haar met een reisgids af te leiden. In
het metrostation aan het Stationsplein kon ik beide mannen
aanhouden met behulp van personeel van het Gemeente
Vervoerbedrijf.
In afwachting van collega’s bleven de
geboeide mannen achter bij genoemd personeel. Daarna liep ik terug, sprak de Koreaanse
aan en liet haar tas zien. Dit had ik dus niet moeten doen. Pure
paniek maakte zich meester van de vrouw en tot mijn grote pech
kwam haar vriend of man ook nog ter plekke, mij ziende met hun
tas in mijn handen.
Wel of geen legitimatiebewijs, wel of geen
portofoon, ik kreeg het niet voor elkaar om hen uit te leggen
dat ik een politieambtenaar was. Nu heb ik het voordeel niet klein van stuk
te zijn, welk voordeel zij niet hadden. Ik kon door de tas hoog
te houden voorkomen dat het ruk- en trekwerk zou worden. Over
het algemeen kan ik mij in het Engels wel verstaanbaar maken bij
buitenlanders. Maar ik kreeg al snel door dat deze twee alles
begrepen behalve een taal die ik machtig was.
Gelukkig kreeg ik snel assistentie van
collega’s in uniform. Toen die Koreanen zagen dat ik niet
gearresteerd werd drong het kennelijk pas tot hen door dat ik
niet de dief van hun tas was. Zij begrepen toen snel dat zij
aangifte moesten doen voor deze diefstal.
Dit was weer zo’n ervaring die je in je
oren knoopt. Over het algemeen had ik weinig moeite aangevers
duidelijk te maken wat er aan de hand was en wat ik graag wilde
dat er nog moest gebeuren. Zo had ik wel de wens dat er aangifte
gedaan werd door het slachtoffer. Nu is het niet per absoluut
noodzakelijk dat er aangifte gedaan wordt door iemand die gerold
is, of waarbij een poging gedaan is om te rollen, maar het maakt
de “zaak” gewoon wat eenvoudiger, zowel voor de politie als
justitie. Het hoogste rechtscollege van ons land, de Hoge Raad,
heeft eens uitgesproken dat een aangifte van zakkenrollerij niet
noodzakelijk is als de aanhoudende politieambtenaren getuige
waren van de rollerij. Eigenlijk dwong ik de aangevers om
aangifte te doen. Als ik een zakkenroller had aangehouden en bij
hem de portemonnee in beslag had genomen, toonde ik die aan het
slachtoffer om hem daarna direct bij mij te steken. Veelal riep
ik dan: ”Mevrouw u krijgt uw portemonnee terug op het
politiebureau, nadat we uw aangifte hebben opgenomen.” Nooit gaf
ik de portemonnee af aan het slachtoffer. Op z’n hoogst konden
ze even zien of alles nog in de portemonnee aanwezig was, maar
dat was het dan ook wel.
Menig collega heeft na aanhouding van een
zakkenroller achter de aangeefster aan kunnen hobbelen, nadat
hij de gestolen portemonnee al dan niet voor controle had
afgegeven aan het slachtoffer. Meerdere malen heb ik
probleempjes gehad met aangeefster.
|