|
Juridische perikelen
Voordat ik overga tot het vertellen van mijn
ervaringen op het gebied van zakkenrollerij leek het mij
raadzaam om enige toelichting te geven op juridische kwesties
die kunnen opdoemen als je bezig bent met het bestrijden van
daarvan.
Zakkenrollerij is diefstal, de strafbaarstelling
van diefstal staat in het Wetboek van Strafrecht. Zoals u ongetwijfeld bekend is, bestaat een
wetboek uit een groot aantal artikelen. Een artikel in deze zin is niets anders dan een
omschrijving van een bepaald delict, zoals diefstal. Elk artikel
heeft een nummer, Die artikelen worden vaak weer onderverdeeld
in leden. Zo praat men over artikel 311 lid 1 van het Wetboek
van Strafrecht etc.
Zakkenrollerij is stelen.
Deze manier van stelen is strafbaar gesteld in
artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. Zo nu en dan echter
wordt ook artikel 311 ten laste gelegd. Dit artikel wordt
gebruikt als de dader bijvoorbeeld een medeplichtige heeft of
als er twee daders zijn. In het vakjargon heet dit diefstal in
vereniging. Dit is dus geen diefstal bij een voetbalclub.
Dikwijls wordt artikel 310 en 311
ten laste gelegd. Mocht een zakkenroller betrapt worden door
iemand en hij gebruikt geweld om weg te komen, dan is het zelfs
mogelijk dat de dader artikel 312 ten laste wordt gelegd. In
politie en justitie kringen wordt dit artikel dikwijls kort
aangeduid als Diefstal met geweld.
Zakkenrollen is een manier van
stelen. Maar in de wetgeving staat niet wat zakkenrollen is. Wel
is er een artikel dat zegt wat stelen is en dat is het artikel
310 van het Wetboek van Strafrecht.
Het artikel diefstal luidt populair
gezegd: Degene die andermans spul zonder toestemming wegneemt,
wordt voor diefstal gestraft. Voor de doorsnee burger is dit wel
duidelijk. De hierboven genoemde populaire
tekst is niet volledig en kan tot gevolg hebben dat iemand
vervolgd wordt voor diefstal terwijl er geen sprake is van
diefstal zoals bedoeld wordt.
Neem het volgende voorbeeld:
Buurman A ziet dat de fiets van de
buurman B ongesloten op de openbare weg staat. Buurman A, die bang is
dat de fiets gestolen wordt - dat gebeurt de laatste tijd veel
in die buurt- wil de buurman B waarschuwen maar merkt dat er
niemand thuis is. De man pakt de fiets op en zet hem
in zijn schuur in afwachting van de thuiskomst van de buurman.
Bij gebruikmaking van de populaire
tekst zou de man schuldig zijn aan diefstal.
Bij gebruikmaking van de officiële
tekst is de man niet strafbaar omdat de “diefstal” niet voldoet
aan bepaalde elementen in dat artikel.
Buurman A had namelijk niet de
bedoeling de fietst in eigendom te houden.
Als een artikel overtreden wordt,
dan moeten alle elementen daarin van toepassing zijn, wil iemand
veroordeeld worden voor overtreding van dat artikel. Indien een
handeling, genoemd als element, niet is geschied dan is dat
betreffende artikel niet van toepassing. De wetgever heeft het
artikel uitvoeriger laten optekenen met de bedoeling geen mazen
te laten ontstaan waardoor een dief kan ontsnappen aan een
strafrechtelijke vervolging. De officiële tekst van artikel 310
van het Wetboek van Strafrecht luidt:
Hij die enig goed dat geheel of
gedeeltelijk aan een ander toebehoort wegneemt met het oogmerk
het zich wederrechtelijk toe te eigenen wordt gestraft.
Stel nu eens dat iemand je op
straat aanspreekt en vraagt of je van hem een telefoon wilt
kopen. Hij overhandigt jou de telefoon, waarna jij dan wegrent.
Dit is geen diefstal omdat het
element wegnemen ontbreekt. De man heeft immers de telefoon aan
jou overhandigd. In dit voorbeeld overtreed je dan
het artikel verduistering dat zegt, dat je goederen die je
anders dan door misdrijf onder je hebt, wederrechtelijk
toeëigent. Indien je een boek leent bij de
bibliotheek en niet terug brengt kan het zijn dat je diefstal of
verduistering pleegt. Leende je het boek met het vooropgezette
doel het niet terug te brengen maar te houden, dan pleeg je
diefstal.
Vind je het een erg mooi boek en
besluit je thuis het niet terug te brengen dan pleeg je
verduistering. Ben je gewoon vergeten het boek terug te brengen
dan pleeg je geen vermogensdelict als genoemd in het Wetboek van
Strafrecht.
Het element “enig goed” geeft aan
dat het over het algemeen stoffelijke goederen zijn. Is hier dan
nog twijfel over dan zal het hoogste rechtscollege hierover een
uitspraak doen. Zo is het illegaal aftappen van elektriciteit
toch strafbaar volgens artikel 310 van het Wetboek van
Strafrecht, terwijl je elektriciteit of stroom nu niet bepaald
makkelijk kunt vastpakken. Het element geheel of gedeeltelijk
zegt iets over het eigendom van goederen.
Zijn goederen voor een deel of
geheel eigendom van een ander, dan kunnen deze goederen gestolen
worden. Dus al ben je eigenaar van een gedeelte van de goederen,
dan bestaat nog de mogelijkheid dat je je aan diefstal schuldig
maakt als je die goederen wegneemt en toeëigent.
“Stelen” in ruime zin kun je op een
heleboel manieren, maar de diverse manieren van “stelen” worden
anders genoemd. De wetgever heeft verschil gemaakt tussen de
manieren waarop je goederen op illegale wijze van iemand kunt
verkrijgen. Maar wat voor artikel de wetgever ook heeft gemaakt,
er zijn altijd weer ontzettend veel vonnissen van rechters die
in volgende rechtszaken gebruikt worden als leidraad.
Enkele soorten vermogensdelicten
zijn:
-Diefstal met geweld of gevolgd
door geweld,
-Oplichting,
-Verduistering,
-Flessentrekkerij
-Afpersing.
Welk artikel je overtreedt ligt dus
aan de manier waaróp je “steelt” niet aan wát je steelt.
Je krijgt voor een roofoverval met
een buit van 10 gulden meer straf dan voor een tasdiefstal met
een buit van 100.000 gulden.
Ik sta er zo nu en dan weer van te
kijken hoeveel geweld een bepaalde overvaller gebruikt om een
van te voren bekende minimale buit te kunnen bemachtigen. Of de
dader is zo verslaafd als een konijn of hij heeft een
behoorlijke storing in zijn bovenkamer.
Wie kan als overtreder van een
wetsartikel worden aangemerkt?
Door omstandigheden en/of feiten
kan een redelijk vermoeden bestaan dat een persoon zich schuldig
maakt aan een strafbaar feit, zoals diefstal. Is dit het geval
dan kan iemand als verdachte van het plegen van dat delict
worden aangemerkt. Nu is het wel zo, dat eigenlijk ieder persoon
die met bepaalde feiten of omstandigheden geconfronteerd wordt,
een redelijk vermoeden moet krijgen dat iemand zich schuldig
maakt aan een strafbaar feit.
Dit is voor politieambtenaren wel
eens een vervelende barricade die opgeworpen wordt.
Politieambtenaren “ruiken” vaak dat er een strafbaar feit
gepleegd wordt. Maar met “ruiken” kun je nu eenmaal niet iemand
verdacht maken. De rechterlijke macht is wel van
mening dat door specialisatie van politieambtenaren personen
als verdachte kunnen worden aangemerkt omdat zij bepaalde
handelingen uitvoeren, terwijl de doorsnee Nederlander deze
handelingen totaal niet “verdacht” vindt.
Het is voor politiespecialisten
zaak hun kennis en ervaring toe te vertouwen aan het
proces-verbaal dat moet worden opgemaakt. Mij bekende collega’s, die zich
gespecialiseerd hebben in het bestrijden van drugshandel op
straat, hebben ontzettend veel kennis van het doen en laten van
drugsdealers. Indien zij na een observatie tot aanhouding
overgaan, pakken ze zo de dealer, de aanbrenger, de
“pakjesdrager” en de koper van de straat , terwijl die personen
zich veelal tussen anderen ophouden. Het lijkt op pure
willekeur, maar dat is het dus absoluut niet. Omdat zij vaak
jarenlang dit werk doen, zijn zij tot deze hoogstandjes in
staat. Politieambtenaren die dit werk zonder kennisoverdracht
ook willen uitvoeren, zijn zonder meer al een half jaar bezig om
het wiel weer uit te vinden.
Op het moment dat iemand verdachte
is krijgen burgers en politie bepaalde bevoegdheden die tot doel
hebben de zaak aan een rechter voor te leggen. In dat traject
kan een verdachte bijvoorbeeld worden aangehouden en naar
een politiebureau worden gebracht, alwaar een hulpofficier van
justitie bepaalt, aanhorende wat de verdachte ten laste is
gelegd en wat de verdachte te verklaren heeft, welk onderzoek er
verder moet worden gedaan. Een aangifte moet bijvoorbeeld worden
opgenomen en de verdachte moet worden gehoord.
Alle delicten
betreffende vermogensdelicten zijn verdeeld over artikelen. En
naar gelang de hoogte van de straf die daarop is gesteld zijn
vaak ook de bevoegdheden van politie en justitie geënt. Ieder
artikel kent een maximum straf door de rechter kan worden
opgelegd. Zo kent diefstal een maximum straf van vier jaren.
Nu is het ook
nog mogelijk dat iemand een poging doet tot het plegen van een
misdrijf. Poging theorieën zijn er genoeg. Ook bij
zakkenrollerij komen pogingen voor.
De wet zegt
over een poging:
Poging tot
een misdrijf is strafbaar wanneer het voornemen van de dader
door een begin van uitvoering is geopenbaard en de uitvoering
tengevolge van wil onafhankelijk, niet is voltooid.
Lekker
begrijpelijk zo’n wettekst. Misschien wordt het wat duidelijker
met enkele voorbeelden.
Als een
zakkenroller met een hand in een tas gaat, spijt krijgt, en zijn
hand daarom weet uit de tas haalt, dan is dat een niet strafbare
poging tot diefstal.
Als deze
zakkenroller een portemonnee uit de tas haalt en kort daarop
spijt krijgt en de portemonnee weer stiekem in de tas terug legt
dan is dit geen poging tot diefstal maar een voltooid delict.
Hij had de portemonnee immers al in zijn bezit. Het maakt niet
uit of hij de portemonnee vrijwillig terug doet in de tas. Al
zal de rechter vermoedelijk bij de uitspraak wel rekening
houden met dat feit.
De zakkenroller heeft zijn hand in
de tas van een vrouw en is met die hand op zoek is naar een
portemonnee. De vrouw betrapt hem en trekt haar tas weg,
waardoor hij zijn hand uit de tas moet terugtrekken. Dit is een
strafbare poging. Hij trok niet vrijwillig de hand uit de tas
maar werd daartoe min of meer gedwongen. Stel nu dat er geen
spullen in de tas aanwezig waren. Er kon dus niets uit de tas
gestolen worden. De zakkenroller trekt zijn hand terug uit de
tas omdat er uit de tas niets te stelen viel. Toch is dit een
strafbare poging, omdat een tas een relatief ondeugdelijk object
is. Men mag er namelijk vanuit gaan dat er normaal gesproken
spullen in een tas zitten, dus is het wel een strafbare poging.
Er zijn een aantal poging theorieën. Dit boek leent zich niet om daar te diep op in te gaan.
Mede gezien het bovenstaande heb ik
zelden iemand voor poging tot zakkenrollerij aangehouden. De
waarnemingen en de omschrijvingen daarvan in het proces-verbaal
moeten vaak uitvoeriger worden weergegeven. Tevens is een
aspirant-aangeefster bij een poging tot diefstal uit haar tas
niet zo snel bereid aangifte te doen hetgeen voor vervolging
van de dader niet noodzakelijk maar wel wenselijk is.
|